1) (maken) ... je huiswerk ! a) maakt b) maken c) maak d) gemaakt e) mak 2) (leren) ... de woordenlijst. a) leren b) leert c) ler d) geleerd e) leer 3) (zijn) ... aardig voor je broertje. a) zijn b) zijnt c) ben d) wees e) bent 4) (doen) ...... een hand voor je oog. a) doen b) doe c) doet d) do e) doent 5) (gaan) ... maar even zitten. a) gaat b) ga c) gaa d) gaan e) gegaan 6) (doen) ... die oefening nog eens. a) doen b) doe c) doet d) gedaan e) daan 7) (schrijven) ... dat op. a) schrijv b) schrijvt c) schrijft d) schrijf e) schreef 8) (draaien) ... je eens om. a) draai b) draaien c) draien d) drait e) draait 9) (gaan) ... naar de Nederlandse les. a) ga b) gaat c) gaan d) gaa e) gegaan 10) (zeggen) ... het maar. a) zeg b) zeggen c) zeeg d) zegt e) zegd 11) (doen) ...... je ogen dicht. a) doen b) doet c) doe d) doed e) do 12) (staan) ...... eens op de weegschaal. a) stat b) staat c) staan d) staa e) sta 13) (poetsen) ........ je tanden. a) poet b) poets c) poetsen d) poetst e) poetse 14) (ademen) .......... diep in. a) ademt b) ademe c) ademm d) adem e) ademen 15) (ademen) ........ langzaam uit. a) addem b) ademen c) addemm d) ademt e) adem

tarafından

Skor Tablosu

Görsel stil

Seçenekler

Şablonu değiştir

Otomatik olarak kaydedilen geri yüklensin mi: ?