Van 9 ____ 13 februari is het carnaval. Veel mensen ____ dan feest. Dat doen ze ieder jaar. Carnaval bestaat al heel ____. Het is een feest met veel ____. Carnaval is een groot en vrolijk ____. Mensen verkleden ____ , ____ als piraat. De mensen zijn dan erg blij. Ze ____ veel. Mensen hossen (= dansen en springen) met elkaar op straat. En ze doen de polonaise. Dan dans je in een lange ____ achter elkaar. Met carnaval hoor je veel ____ liedjes. Soms wordt een liedje een echte hit. Dat liedje hoor je dan ____ dagenlang. Zo’n liedje ____ je een carnavalskraker. Carnaval is ieder ____ in februari of maart. De voorbereidingen van het feest zijn al ____. Die beginnen op 11 november. Dat is dus de elfde dag van de ____ maand. Het ____ 11 noem je ook wel het gekkengetal. Dat past dus goed bij carnaval. Prins of Prinses Carnaval wordt die dag vaak gekozen. Of mensen zien hem of ____ dan voor het eerst. Prins of Prinses Carnaval is ____ carnaval de ____ in de stad of het ____. Carnaval is eigenlijk een ____ feest. Ze vieren het vaak in het ____ van Nederland. ____ daar zijn veel mensen katholiek. Op woensdag ____ carnaval begint de vastentijd. Die duurt 40 ____. Vroeger aten de mensen in die 40 dagen ____ dan normaal. Ze aten vooral minder vlees. ____ mensen vasten nu nog steeds. Na de vastentijd is het paasfeest. In veel plaatsen zijn er ____ met carnaval. Mooi versierde wagens ____ in een lange rij door dorpen en steden. Tussen de wagens lopen dansende mensen. De groep met de ____ praalwagen wordt de winnaar en krijgt een ____. Prins of Prinses Carnaval doet ook aan de optocht ____. Veel dorpen en ____ heten ____ tijdens carnaval. Zo heet Den Bosch ‘Oeteldonk’. En Breda heet ‘Kielegat’. Veel mensen vinden carnaval een ____ feest.

Lyderių lentelė

Vizualinis stilius

Parinktys

Pakeisti šabloną

Atkurti automatiškai įrašytą: ?