(maken) ... je huiswerk !, maakt, maken, maak, gemaakt, mak, (leren) ... de woorden., leren, leert, ler, geleerd, leer, (zijn) ... lief voor je broertje., zijn, zijnt, ben, wees, bent, (doen) ...... een hand voor je oog., doen, doe, doet, do, doent, (gaan) ... zitten., gaat, ga, gaa, gaan, gegaan, (maken) ... die oefening nog eens., maken, maak, maakt, maaket, gemaakt, (schrijven) ... dat op., schrijv, schrijvt, schrijft, schrijf, schreef, (stofzuigen) ... de woonkamer!, draai, draaien, draien, drait, draait, (gaan) ... naar de Nederlandse les., ga, gaat, gaan, gaa, gegaan, (zeggen) ... het maar., zeg, zeggen, zeeg, zegt, zegd, (doen) ...... je ogen dicht., doen, doet, doe, doed, do, (poetsen) ........ je tanden., poet, poets, poetsen, poetst, poetse, (nemen) .......... een douche., neemt, nemen, nemmen, neem, (typen) ........ je tekst op de computer., typen, typp, type, typ, typt, (Doen) ... de was!, doen, doet, doe, (strijken) ... je kleren!, strijks, strijkt, strijken, strijk, (poetsen) ... jouw huis!, poets, poetz, poetst, poetsen, (dweilen) ... de vloer!, dweill, dweilen, dweil, dweilt, (helpen) ... jouw kind met zijn huiswerk!, helpen, help, helpt, helps, (voetballen) ... met je vrienden, voetballen, voetbalt, voetbal, voetbals

Leaderboard

Visual style

Options

Switch template

Continue editing: ?