eten. Ik ____, Ik had gegeten., eten. Jullie ____, Jullie hadden gegeten., wonen. Ik ______, Ik had gewoond., gaan. Ik_____, Ik was gegaan, gaan. We_____, We waren gegaan, drinken. We ____, We hadden gedronken., trouwen. Ik, Ik was getrouwd., fietsen. Jij ______, Jij had gefietst, scheiden. We ____, We waren gescheiden, fietsen.Wij ______, Wij hadden gefietst, betalen. We ____, We hadden betaald., studeren. Ik dacht dat jij _________., Ik dacht dat jij had gestudeerd, bellen. Ik dacht dat jij Jan ______, Ik dacht dat jij Jan had gebeld, koken. Ik dacht dat jij _____, Ik dacht dat jij had gekookt, verhuizen. Ik dacht dat je al _____, Ik dacht dat je al was verhuisd, blijven. Ik dacht dat je thuis ______, Ik dacht dat je thuis was gebleven

Plusquamperfectum

Leaderboard

Visual style

Options

Switch template

Continue editing: ?