Ik eet biefstuk met aardappel (willen), Jij werkt morgen niet (kunnen), Jullie roken niet in de school (mogen), Hij spreekt geen Frans (kunnen), Zij drinkt alcohol (mogen), Sophie studeert vanmiddag (moeten), Maya koopt twee broodjes (willen), Karen en Jos eten koffie met taart (willen), Ik maak mijn huiswerk (moeten), Ik kom morgen niet naar de les (kunnen), De docent begint met de les (willen), Hij loopt naar huis (moeten), Tim leert Nederlands (zullen), Wij praten samen (mogen), Ik ga naar Den Haag (willen)

Leaderboard

Visual style

Options

Switch template

Continue editing: ?