Hij fietst ..... het kanaal., langs, over, door, in, Hij zit ........... de vrouw., op, naast, over, tegenover, Het schilderij hangt ...... de muur., op, in, aan, achter, ............... het einde van de straat is een supermarkt., Aan, Achter, Bij, Naast, De kat zit ...... de tafel, in, onder, op, door, Het vliegtuig vliegt ......... mijn huis., over, door, in, achter, De man zit .......... de laptop., voor, achter, op, in, De boom ligt ..... het huis., op, onder, voor, in, De mensen staan ...... het huis., achter, voor, naast, op, Joost zit ............... zijn broers., voor, achter, tussen, tegen, De vrouw leunt ................ de muur, naast, tegen, voor, aan, De bloemen staan ..............het raam., voor, achter, onder, tegen.

Leaderboard

Visual style

Options

Switch template

)
Continue editing: ?