werken - Ik werk - wij werken, drinken, luisteren, dansen, denken, kijken, bellen - ik bel - wij bellen, pakken, leggen, stoppen, zeggen, rennen, wonen - ik woon - wij wonen, spreken, kopen, huren, vragen, horen, geven - ik geef - wij geven| lezen - ik lees - wij lezen, verhuizen, verven, leven, reizen, schrijven

Verbs- spelling

Leaderboard

Visual style

Options

Switch template

Continue editing: ?