Hij is verslaafd ____ deze serie., aan, met, van, door, Hij ontkwam niet ____ de gevolgen., bij, van, aan, door, Je maakt het op ____ zijn woorden., uit, aan, van, door, Hij verzette zich ____ het voorstel., van, met, tegen, door, We onderscheiden ons van de concurrentie ____ onze goede dienstverlening., door, aan, van, met, We zijn ontsnapt aan erger _____ zijn koelbloedige reactie., met, dankzij, tijdens, omwille van, Deze boodschap is bestemd ____ een select publiek., aan, van, door, voor, In haar job is ze blootgesteld ___ ongezouten kritiek., voor, door, van, aan

3.2 preposities

by

Leaderboard

Visual style

Options

Switch template

Continue editing: ?