We gaan vandaag niet zwemmen ______ het slecht weer is., omdat, w a n t, We gaan vandaag niet zwemmen ______ het is slecht weer., omdat, w a n t, We blijven thuis __ we corona hebben., omdat, w a n t, Ze gaan ze elke dag winkelen ______ ze vakantie hebben., w a n t, omdat, Ik doe een cursus ____ ik Nederlands wil leren., omdat, w a n t, We dragen oranje kleding _________ het Koningsdag i s., omdat, w a n t, Anna koopt de trui omdat _________, ze vindt hem mooi., ze hem mooi vindt., Ik ben blij want, mijn broer komt op bezoek., mijn broer op bezoek komt., Ik ben blij omdat, mijn broer komt op bezoek., mijn broer op bezoek komt., Hij moet naar het ziekenhuis gaan ____ hij heel ziek is., omdat, Wa nt, Ik eet geen vlees, want _______, ik vind dat niet lekker., ik dat niet lekker vind., Ik ga naar de supermarkt omdat, ik moet nog brood kopen., ik nog brood moet kopen.

Leaderboard

Visual style

Options

Switch template

Continue editing: ?