Een vervoermiddel met twee wielen waar je op zit en trapt., de fiets, Waarmee je reist van A naar B, zoals een auto, bus of fiets., het vervoermiddel, Iets wat fijn, makkelijk of nuttig is om te gebruiken., handig, De speciale (vaak rode) wegen waar alleen fietsen mogen rijden., de fietspaden, Vaak. Niet één keer, maar elke week of elke dag., regelmatig, De accu. Hierin zit de energie voor de lampen of de motor, de batterij, Elektriciteit uit het stopcontact om apparaten op te laden., de stroom, Naar voren bewegen., vooruit, Naar achteren bewegen., achteruit, Hard werken met je lichaam, waardoor je moe wordt of zweet., zich inspannen.

Flashcards uit document

Leaderboard

Visual style

Options

AI Enhanced: This activity contains content generated by AI. Learn more.

Switch template

)
Continue editing: ?