Wat heb je gisteren (doen)?, Wat heb je in het weekend (eten)?, Wat hebben jullie bij het eten (drinken)?, Wat heeft hij (spelen)?, Waar heeft zij (werken)?, Wat hebben zij (leren)?, Hoe lang ben jij daar (blijven)?, Heb je mijn telefoon (zien)?, Hoe laat ben je naar huis (gaan)?, Wat heeft hij (krijgen)? , Heb ik je goed (helpen)?, Wanneer zijn zij (komen)?, Heb ik teveel (betalen)?, Wat heb jij (stemmen)?, Ben jij in Rotterdam (zijn)?.

Leaderboard

Visual style

Options

Switch template

Continue editing: ?