Giovanna ______ elke ochtend koffie. (drinken), dronk, Ahmed ______ gisteren naar school. (gaan), ging, Asmaa ______ haar jas aan de kapstok. (hangen), hing, Viktoriia ______ de bus deze morgen. (missen), miste, Fahmo ______ een e-mail naar de leerkracht. (schrijven), schreef, Anton ______ rijst voor het avondeten. (koken), kookte, Andrii ______ zijn handen na het eten af. (afdrogen), droogde, Alina ______ Nederlands met haar collega’s. (spreken), sprak, Marta ______ een brood in de oven. (bakken), bakte, Shukur ______ zijn fiets na het werk. (herstellen), herstelde, Iliaa ______ naar de muziek in de klas. (luisteren), luisterde, Irina ______ haar familie in het weekend. (bezoeken), bezocht, Elisa ______ de straat zonder problemen over. (oversteken), stak, Wakas ______ een cadeau voor zijn vriend. (kopen), kocht, Omid ______ op de bus aan de halte. (wachten), wachtte, Giovanna ______ haar kamer op zaterdag. (opruimen), ruimde, Hibret ______ een tafel in het restaurant. (reserveren), reserveerde, Asmaa ______ met haar vrienden op het feest. (dansen), danste, Ahmed ______ zijn tanden voor het slapengaan. (poetsen), poetste, Viktoriia ______ een leuk T-shirt in de winkel. (kiezen), koos, Fahmo ______ haar sleutels in haar tas. (leggen), legde, Anton ______ zijn vriend om hulp. (vragen), vroeg, Andrii ______ luid toen hij zijn buur zag. (roepen), riep, Alina ______ veel tijdens de les. (lachen), lachte, Marta ______ de vloer in de keuken. (dweilen), dweilde

Leaderboard

Visual style

Options

AI Enhanced: This activity contains content generated by AI. Learn more.

Switch template

Continue editing: ?