Ik ga naar de bakker, ____ ik vers brood nodig heb., omdat, Ik leer veel Nederlands, ___ ik woon in Nederland., want, Zij komt niet naar de les, ___ zij is vandaag ziek., want, Wij blijven vanavond thuis, ___ het buiten hard waait., omdat, Hij koopt een nieuwe laptop, ___ hij veel geld heeft., omdat, Ik ben te laat gekomen, ___ de bus had veel vertraging., want, Zij is een beetje boos, ___ hij haar niet heeft geholpen., omdat, Ik ga nu naar bed, ___ ik ben heel erg moe., want, Wij eten vanavond soep, ___ we geen zin hebben om te koken., omdat, Hij vraagt de docent om hulp, ___ hij de grammatica niet begrijpt., omdat, De baby huilt hard, ___ hij heeft nu honger., want, Wij gaan morgen naar het strand, ___ het prachtig weer wordt., omdat, Ik eet een appel, ___ ik honger heb., omdat, De cursist leert veel, ___ hij studeert elke dag., want, Ik ben erg moe, ___ ik hard heb gewerkt., omdat, Hij gaat naar de dokter, ___ hij is ziek._, want

Leaderboard

Visual style

Options

Switch template

Continue editing: ?