Ik ga een nieuwe fiets kopen, want mijn / jouw fiets is te oud., mijn, Mijn dochter vindt het altijd leuk om bij jullie te komen. Ons / Jullie huis is heel gezellig., Jullie, Haar / Zijn telefoon is gevallen en het scherm is gebroken. Ze gaat een nieuwe kopen., Haar, Jullie gaan een leesexamen maken. Hebben jullie haar / jullie woordenboeken meegenomen?, jullie, Haar / Zijn schoenen zijn kapot dus hij brengt ze naar de schoenmaker., Zijn, Ik woon in Nederland en mijn / zijn broer woont in Turkije., mijn, Frank en Yvonne gaan verhuizen, dus zijn / hun kinderen gaan naar een nieuwe school., hun, We doen een cursus Nederlands. Jouw / Onze docent kan goed uitleggen., Onze

Leaderboard

Visual style

Options

Switch template

Continue editing: ?