Victor is niet blij, hij is .........................., snel, verdrietig, Het gaat niet goed met Victor. Hij is niet................................, blij, snel, Ik kan goed voetballen. Ik ben heel............, klein, trots, In het park kan ik.............................., koken, wandelen, Ik houd heel veel van voetbal. Ik wil graag naar een ...................................., wedstrijd, concert, De supermarkt is een............................., ziekenhuis, winkel, ik ben vandaag .....................wakker, makkelijk, vroeg, ik houd van.............................., klein, lekker eten, Victor vindt zijn werk heel........................., saai, leuk, Victor heeft leuke..............................., werk, collega's

Leaderboard

Visual style

Options

Switch template

Continue editing: ?