.....ik thuis ben, zet ik een kopje thee., toen, zodra, nadat, zodat, Ik ......de krant in de doos, zet, leg, stop, doe, Hij sport om niet ....., te hoeven nadenken, na te hoeven denken, hoeven te nadenken, na te denken hoeven, Ik zou ..... (wens), een jurkje kopen, een jurkje willen kopen, graag een jurkje kopen, graag een jurkje willen kopen, Wat kun je zeggen? Stelling: Sporten is vervelend, Ik ben het ermee niet eens, Ik ben het er niet mee eens, Ik ben niet ermee eens, Ik ben het niet ermee eens, Ik ben het oneens, Hij kijkt..., er niet van op, niet ervan op, ervan op niet, erop niet van, Volgens mij...., is het te koud in Nederland, het is te koud in Nederland, Ik denk dat ik...., mijn moeder bel op, bel mijn moeder op, mijn moeder opbel, Vertaal: This trip can't be booked., Deze reis kan geboekt niet worden, Deze reis kan niet worden geboekt, Deze reis kan niet geboekt zijn, Deze reis kan niet geboekt worden, Nadat ............., liep hij naar de balie, zij de deur opende, zij de deur opent, zij de deur had geopend, zij de deur geopend had, We proberen het huiswerk...., te maken, maken

Leaderboard

Visual style

Options

Switch template

Continue editing: ?