Hoe ga jij naar je werk? Antwoord met een frequentiewoord., Hoe reis jij in jouw eigen land? Hoe vaak neem je daar het OV?, Hoe lang duurt jouw reis naar kantoor? Hoe lang ben je onderweg?, Wat is beter, de trein of de bus? Antwoord met de comparatief., Wat is beter in de stad, de fiets of de auto? Geef een reden met want., Zeg diezelfde zin nog een keer, maar nu met omdat. Let op het werkwoord., Wat vind jij van het OV (openbaar vervoer) in Nederland?, Heeft jouw trein vaak vertraging? Antwoord met een frequentiewoord., Fiets jij in Amsterdam? Waarom wel of niet?, Wat is jouw favoriete manier van reizen? Geef een reden met omdat., Is het OV hier duurder dan in jouw land?, Reis jij weleens met het vliegtuig? Hoe vaak?

A1 part 2, module 5

Leaderboard

Visual style

Options

Switch template

Continue editing: ?