(maken) ... je huiswerk !, maakt, maken, maak, gemaakt, mak, (leren) ... de woordenlijst., leren, leert, ler, geleerd, leer, (zijn) ... aardig voor je broertje., zijn, zijnt, ben, wees, bent, (doen) ...... een hand voor je oog., doen, doe, doet, do, doent, (gaan) ... maar even zitten., gaat, ga, gaa, gaan, gegaan, (doen) ... die oefening nog eens., doen, doe, doet, gedaan, daan, (schrijven) ... dat op., schrijv, schrijvt, schrijft, schrijf, schreef, (draaien) ... je eens om., draai, draaien, draien, drait, draait, (gaan) ... naar de Nederlandse les., ga, gaat, gaan, gaa, gegaan, (zeggen) ... het maar., zeg, zeggen, zeeg, zegt, zegd, (doen) ...... je ogen dicht., doen, doet, doe, doed, do, (staan) ...... eens op de weegschaal., stat, staat, staan, staa, sta, (poetsen) ........ je tanden., poet, poets, poetsen, poetst, poetse, (ademen) .......... diep in., ademt, ademe, ademm, adem, ademen, (ademen) ........ langzaam uit., addem, ademen, addemm, ademt, adem

Leaderboard

Visual style

Options

Switch template

Continue editing: ?