Owen .... vroeger mooie tekeningen. (maken), maakt, maakte, maakde, gemaakt, Ik .... toen nog geen Frans. (praten), prate, praat, praatte, pratten, Zij ..... vroeger in Utrecht. (wonen), woonden, wonden, wonde, woonde, In mijn jeugd ..... zij veel. (voetballen), voetbalte, voetbaalte, voetbaalde, voetbalde, Wij ... elke weekend met de buren. (spreken), spreekten, spreekden, spraaken, spraken, Op school ... wij regelmatig school TV (kijken), koken, keken, kijkten, kuken, Op mijn 12e ... ik een mobiele telefoon. (krijgen), kreeg, krijgde, krijgte, kroeg, Zij ... de dief wegrennen. (zien), zienden, zienten, zagen, ziegen, Toen ik naar het station ..., kwam ik een collega tegen. (lopen), loopte, loopde, liepte, liep, Ik ... de afwas, toen mijn oma belde. (doen), doen, doe, deed, deet

Leaderboard

Visual style

Options

Switch template

Continue editing: ?