Sara pakt ___ telefoon., ons, haar, hun, zijn, Milan ___ om zeven uur ___., staat / aan, staan / op, staat / op, op / staat, Amsterdam is ___ dan mijn dorp., grootste, meer groot, groot, groter, Gisteren ___ ik thuis., werkte, gewerkt, werk, werkt, Vandaag ___ ik met de trein., reis, gereisd, ik reis, reizen, Sara meldt ___ aan., me, je, ons, zich, Ik zoek een baan, ___ ik meer wil werken., en, omdat, want, dus, Ik schrijf een brief om ___ solliciteren., voor, te gaan, te, aan, Wij ___ gisteren in Amsterdam., zijn, geweest, waren, was, Welke zin is goed?, Morgen ik ga naar Zeeland., Morgen ga ik naar Zeeland., Morgen naar Zeeland ik ga., Morgen ik naar Zeeland ga.

by

Leaderboard

Visual style

Options

Switch template

Continue editing: ?