Hij eet biefstuk met friet. (willen), Ik werk morgen niet. (kunnen), Jij rookt niet op het werk. (mogen), Hij spreekt geen Frans. (kunnen), Zij drinkt alcohol. (mogen), Sophie studeert vanmiddag. (moeten), Karen eet een stukje taart. (willen), Ik maak mijn huiswerk. (moeten), Ik kom morgen niet naar de les. (kunnen), De docent begint met de les. (willen)

Leaderboard

Visual style

Options

Switch template

Continue editing: ?