Op straat ligt overal ___, afval, Flessen, kartonnen dozen en papiertjes zijn voorbeelden van ___, het zwerfvuil, Achter het gebouw ligt een oud matras en een kapotte kast: dat is ___, het sluikstort, Op het trottoir ligt ___ en dat is erg vies, hondenpoep, Op de muren van de gebouwen zie je overal ___, graffiti, Dit huis heef een ___tuintje aangelegd op de façade., geveltuintje, De buurt oogt kaal, want er is ___ : geen bomen, en geen bloemen., geen groen, Voor de kinderen is er niets te doen, want er zijn geen ___, speeltuigen, Die ___ kijken stiekem naar de buren, gluurders, Ouderen kunnen nergens zitten, want er zijn geen ___, banken, In deze wijk zijn er geen ___ of ___, dus je kunt nergens iets kopen of drinken, winkels of cafés, 's Avonds is het erg donker, want er is geen ___, straatverlichting, Door al die problemen hebben bewoners een gevoel van ___, onveiligheid, De buren praten nooit met elkaar; de sfeer is ___, asociaal, Op zaterdagochtend helpt hij de buurt netjes te houden door ___ te vegen., de stoep, Wie subsidie wil krijgen voor het project, moet eerst ___ indienen., een aanvraag, De bewoners willen elkaar beter leren kennen en daarom gaan ze ___ organiseren., een buurtfeest, Als kinderen veilig buiten willen spelen, kunnen bewoners bij de gemeente ___ aanvragen., een speelstraat, Zij wil meewerken aan een propere en gezellige wijk en daarom wil ze ___ worden., vrijwilliger

Leaderboard

Visual style

Options

AI Enhanced: This activity contains content generated by AI. Learn more.

Switch template

Continue editing: ?