opstaan, se lever, een douche nemen, prendre une douche, ontbijten, déjeuner, zijn tanden poetsen, se brosser les dents, zich aankleden, s'habiller, naar school gaan, aller à l'école, het avondmaal, le souper, het middagmaal, le dîner, zijn huiswerk maken, faire ses devoirs, opruimen, ranger, de tafel dekken, mettre la table, naar bed gaan, aller au lit, de afwas doen, faire la vaisselle, beginnen, commencer, Het is gedaan., C'est terminé., De wekker loopt af., Le réveil sonne., een bad nemen, prendre un bain, naar de televisie kijken, regarder la TV, uitschakelen, éteindre, openen, ouvrir, sluiten, fermer, de studie, l'étude, boodschappen doen, faire les courses, liggen, être couché, gaan slapen, aller dormir, zitten, s'asseoir, koken, cuisiner, eten, manger, een spel spelen, jouer à un jeu, de speeltijd, la récréation

Leaderboard

Visual style

Options

Switch template

Continue editing: ?