Ik beschuldig je ____ diefstal., van, uit, aan, in, De oefening bestaat ____ drie vragen., aan, uit, naar, in, Ik dank u ____ de moeite., naar, uit, aan, voor, Ik wil niet doorgaan ___ met het examen., in, met, aan, van, Let ____ de spelling!, op, naar, in, uit, Je moet eerst nadenken _____ je antwoord., op, over, na, naar, Volgens mij passen ze niet _____ elkaar., aan, met, naar, bij, Elk jaar sterven er veel mensen _____ kanker., aan, bij, uit, in, Ben jij geabonneerd _____ een Vlaamse krant?, aan, op, in, uit

Leaderboard

Visual style

Options

Switch template

Continue editing: ?