Ik werk in een restaurant, Ik heb in een restaurant gewerkt., Mijn man koopt een auto., Mijn man heeft een auto gekocht., Jij woont in Brussel., Jij hebt in Brussel gewoond., Wij nemen de bus naar Diest., Wij hebben de bus naar Diest genomen., Zij huren een appartement., Zij hebben een appartement gehuurd., Zij past de schoenen., Zij heeft de schoenen gepast., Hij betaalt de factuur., Hij heeft de factuur betaald., Ik neem een klantenkaart bij Delhaize., Ik heb een klantenkaart bij Delhaize genomen., Wij sparen 400 euro., Wij hebben 400 euro gespaard., Wij horen het lawaai van de buren., Wij hebben het lawaai van de buren gehoord., Ik neem een douche., Ik heb een douche genomen., Ik kook lekkere soep., Ik heb lekkere soep gekookt., Zij wandelt in het park., Zij heeft in het park gewandeld., Jij strijkt de broek., Jij hebt de broek gestreken., Jullie drinken water., Jullie hebben water gedronken., Zij kijken naar de televisie., Zij hebben naar de televisie gekeken., Ik doe boodschappen., Ik heb boodschappen gedaan., Hij staat op om 7 u., Hij is om 7 u opgestaan., Zij belt naar haar moeder., Zij heeft naar haar moeder gebeld., Ik leg de sleutels op de tafel., Ik heb de sleutels op de tafel gelegd.

Leaderboard

Visual style

Options

Switch template

Continue editing: ?