Mi hermano tiene siete años. - Mijn broer is zeven jaar. , Tu hermano tiene siete años. - Jouw broer is zeven jaar., Tiene diez años.  - Zij is tien., Tienes diez años. - Jij bent tien. , Tienes hambre. - Jij hebt honger. , Tiene hambre. - Hij heeft honger., Tengo una bici nueva. - Ik heb een nieuwe fiets., Tengo una bici vieja.  - Ik heb een oude fiets. , ¿Tiene hambre? - Heeft hij honger? , No, no tiene hambre. - Nee, zij heeft geen honger. , No, tiene hambre. - Nee, zij heeft honger., El bebé tiene sed. - De baby heeft dorst., El bebé tiene frío.  - De baby heeft het koud. , Tenemos calor. - We hebben het warm. , ¿Tenéis sueño? - Zijn jullie moe? ,

¡Qué Guay! 5: zoek de juiste vertaling.

Leaderboard

Visual style

Options

Switch template

Continue editing: ?