Ik studeer.... / Ik heb ...... gestudeerd. / Ik ga ..... studeren., Ik schrijf...... / Ik heb ...... geschreven. / Ik ga ..... schrijven., Ik spreek..... / Ik heb ...... gesproken. / Ik ga ..... spreken., Ik lees ..... / Ik heb ...... gelezen. / Ik ga ..... lezen., Ik maak ..... / Ik heb ...... gemaakt. / Ik ga ..... maken., Ik vraag ..... / Ik heb ...... gevraagd. / Ik ga ..... vragen., Ik luister ..... / Ik heb ...... geluisterd. / Ik ga ..... luisteren., Ik kijk ..... / Ik heb ...... gekeken. / Ik ga ..... kijken.., Ik slaap ..... / Ik heb ...... geslapen. / Ik ga ..... slapen.., Ik rust ..... / Ik heb ...... gerust. / Ik ga ..... rusten., Ik sport ..... / Ik heb ...... gesport. / Ik ga ..... sporten.., Ik ga op restaurant / Ik ben op restaurant gegaan. / Ik ga op restaurant., Ik wandel ..... / Ik heb - ben naar ...... gewandeld. / Ik ga ..... wandelen., Ik bezoek ..... / Ik heb ...... bezocht. / Ik ga ..... bezoeken., Ik eet ..... / Ik heb ...... gegeten. / Ik ga ..... eten.., Ik drink ..... / Ik heb ...... gedronken. / Ik ga ..... drinken., Ik winkel ..... / Ik heb ...... gewinkeld. / Ik ga ..... winkelen., Ik poets ..... / Ik heb ...... gepoetst. / Ik ga ..... poetsen., Ik was ..... / Ik heb ...... gewassen. / Ik ga ..... wassen., Ik kook ..... / Ik heb ...... gekookt. / Ik ga ..... koken., Ik stofzuig ..... / Ik heb ...... gestofzuigd. / Ik ga ..... stofzuigen., Ik doe ..... / Ik heb ...... gedaan. / Ik ga ..... doen., Ik ruim ..... op. / Ik heb ...... opgeruimd. / Ik ga ..... opruimen., Ik was ..... af. / Ik heb ...... afgewassen. / Ik ga ..... afwassen., Ik strijk ..... / Ik heb ...... gestreken. / Ik ga ..... strijken., Ik sta ..... op / Ik ben ...... opgestaan. / Ik ga ..... opstaan., Ik poets mijn tanden / Ik heb mijn tanden gepoetst. / Ik ga mijn tandenpoetsen., Ik was me / Ik heb me gewassen. / Ik ga me wassen., Ik neem ..... / Ik heb ...... genomen. / Ik ga ..... nemen., Ik doe .... uit. / Ik heb ...... uitgedaan. / Ik ga ..... uitdoen., Ik doe .... aan. / Ik heb ...... aangedaan. / Ik ga ..... aandoen., Ik ontbijt ..... / Ik heb ...... ontbeten. / Ik ga ..... ontbijten., Ik breng ..... / Ik heb ...... gebracht. / Ik ga ..... brengen., Ik vertrek ..... / Ik ben ...... vertrokken. / Ik ga ..... vertrekken., Ik fiets ..... / Ik heb - ben naar ...... gefietst. / Ik ga ..... fietsen., Ik vaar ..... / Ik heb - ben naar ...... gevaren. / Ik ga ..... varen., Ik vlieg ..... / Ik heb - ben naar ...... gevlogen. / Ik ga ..... vliegen., Ik zwem ..... / Ik heb - ben naar ...... gezwommen. / Ik ga ..... zwemmen., Ik rijd ..... / Ik heb - ben naar ...... gereden. / Ik ga ..... rijden., Ik loop ..... / Ik heb - ben naar ...... gelopen. / Ik ga ..... lopen., Ik koop ..... / Ik heb ...... gekocht. / Ik ga ... kopen., Ik zoek ..... / Ik heb ...... gezocht. / Ik ga ... zoeken., Ik draag ..... / Ik heb ...... gedragen. / Ik ga ... dragen., Ik pas ..... / Ik heb ...... gepast. / Ik ga ... passen., Ik kies ..... / Ik heb ...... gekozen. / Ik ga ... kiezen., Ik betaal ..... / Ik heb ...... betaald. / Ik ga ... betalen., Ik wacht ..... / Ik heb ...... gewacht. / Ik ga ... wachten., Ik ruil ..... / Ik heb ...... geruild. / Ik ga ... ruilen., Ik verjaar ..... / Ik ben ...... verjaard. / Ik ga ... verjaren., Ik geef ..... / Ik heb ...... gegeven. / Ik ga ... geven., Ik krijg ..... / Ik heb ...... gekregen. / Ik ga ... krijgen., Ik telefoneer - bel ..... / Ik heb ...... getelefoneerd - gebeld. / Ik ga ... telefoneren - bellen., Ik spreek ..... af. / Ik heb ...... afgesproken. / Ik ga ... afspreken., Ik nodig .... uit. / Ik heb ...... uitgenodigd. / Ik ga ... uitnodigen., Ik kom ..... / Ik ben ...... gekomen. / Ik ga ... komen., Het regent ..... / Het heeft ..... geregend. / Het gaat .... regenen., Het sneeuwt ..... / Het heeft ..... gesneeuwd. / Het gaat .... sneeuwen., Het waait ..... / Het heeft ..... gewaaid. / Het gaat .... waaien., Het hagelt ..... / Het heeft ..... gehageld. / Het gaat .... hagelen., Het vriest ..... / Het heeft ..... gevroren. / Het gaat .... vriezen., De zon schijnt ..... / De zon heeft ..... geschenen. / De zon gaat ..... schijnen., Het bliksemt ..... / Het heeft ..... gebliksemd. / Het gaat .... bliksemen., Het dondert ..... / Het heeft ..... gedonderd. / Het gaat .... donderen., Het stormt ..... / Het heeft ..... gestormd. / Het gaat .... stormen., Ik trouw ..... / Ik ben ...... getrouwd. / Ik ga ..... trouwen., Ik scheid ..... / Ik ben ...... gescheiden. / Ik ga ..... scheiden., Ik begin ..... / Ik ben ...... begonnen. / Ik ga ..... beginnen., Ik verhuis ..... / Ik ben ...... verhuisd. / Ik ga ..... verhuizen., Ik blijf ..... / Ik ben ...... gebleven. / Ik ga ..... blijven., Ik val ..... / Ik ben ...... gevallen. / Ik ga ..... vallen., Ik stop ..... / Ik ben ...... gestopt. / Ik ga ..... stoppen., Ik ben ..... / Ik ben ...... geweest. / Ik ga ..... zijn.

Leaderboard

Visual style

Options

Switch template

Continue editing: ?