Ik neem de bus __________ (geen fiets), Ik neem de bus omdat ik geen fiets heb., We gaan naar het strand __________ (mooi weer), We gaan naar het strand als het mooi weer is., Zij blijft thuis __________ (ziek), Zij blijft thuis omdat ze ziek is., Ik neem een jas mee __________ (koud buiten), Ik neem een jas mee als het buiten koud is., Hij gaat naar de dokter __________ (pijn in zijn rug), Hij gaat naar de dokter omdat hij pijn in zijn rug heeft., Ik koop een kaartje __________ (met de trein), Ik koop een kaartje als ik met de trein wil reizen., We blijven binnen __________ (regenen), We blijven binnen als het regent., Zij belt mij __________ (hulp nodig), Zij belt mij als ze hulp nodig heeft., Ik leer Nederlands __________ (in Nederland), Ik leer Nederlands omdat ik in Nederland wil wonen., We vertrekken vroeg __________ (de drukte), We vertrekken vroeg omdat we de drukte willen vermijden., Ik draag een zonnebril __________ (de zon), Ik draag een zonnebril als de zon schijnt., Hij werkt thuis __________ (geen vergadering), Hij werkt thuis als hij geen vergadering heeft., Ik eet gezond __________ (fit), Ik eet gezond omdat ik fit wil blijven..

Leaderboard

Visual style

Options

Switch template

)
Continue editing: ?