Ik neem de bus __________ (geen fiets), Ik neem de bus omdat ik geen fiets heb., We gaan naar het strand __________ (mooi weer), We gaan naar het strand als het mooi weer is., Zij blijft thuis __________ (ziek), Zij blijft thuis omdat ze ziek is., Ik neem een jas mee __________ (koud buiten), Ik neem een jas mee als het buiten koud is., Hij gaat naar de dokter __________ (pijn in zijn rug), Hij gaat naar de dokter omdat hij pijn in zijn rug heeft., Ik koop een kaartje __________ (met de trein), Ik koop een kaartje als ik met de trein wil reizen., We blijven binnen __________ (regenen), We blijven binnen als het regent., Zij belt mij __________ (hulp nodig), Zij belt mij als ze hulp nodig heeft., Ik leer Nederlands __________ (in Nederland), Ik leer Nederlands omdat ik in Nederland wil wonen., We vertrekken vroeg __________ (de drukte), We vertrekken vroeg omdat we de drukte willen vermijden., Ik draag een zonnebril __________ (de zon), Ik draag een zonnebril als de zon schijnt., Hij werkt thuis __________ (geen vergadering), Hij werkt thuis als hij geen vergadering heeft., Ik eet gezond __________ (fit), Ik eet gezond omdat ik fit wil blijven..
0%
Omdat/als
Share
Share
Share
by
Bokovt
Edit Content
Print
Embed
More
Assignments
Leaderboard
Show more
Show less
This leaderboard is currently private. Click
Share
to make it public.
This leaderboard has been disabled by the resource owner.
This leaderboard is disabled as your options are different to the resource owner.
Revert Options
Flash cards
is an open-ended template. It does not generate scores for a leaderboard.
Log in required
Visual style
Fonts
Subscription required
Options
Switch template
Show all
More formats will appear as you play the activity.
)
Open results
Copy link
QR code
Delete
Continue editing:
?