Ik ben naar Brussel ... (vertrekken), vertrokken, Hij heeft een medicijn... (voorschrijven), voorgeschreven, Ik heb het medicijn dagelijks ... (innemen)., ingenomen, De apotheker heeft het medicijn ... (bereiden)., bereid, Ik heb een verhaal ... (vertellen)., verteld, Ik ben naar Brussel ... (rijden)., gereden, Emil heeft met LEGO ... (spelen), gespeeld, Anna heeft weer niet naar mama ... (luisteren)., geluisterd, We hebben de sint ... (ontmoeten)., ontmoet, Hij heeft zijn baas ... (overtuigen), overtuigd, Ik ben je naam ... (vergeten), vergeten, Opa is aan zijn hart ... (opereren), geopereerd, Zijn buik is weer ... (dichtnaaien), dichtgenaaid, Je hebt niet op mijn vraag ... (antwoorden), geantwoord, We hebben in het zwembad ... (zwemmen), gezwommen, Je hebt een mooi slee ... (maken)., gemaakt, Ik heb mijn hut in het bos ... (tonen)., getoond, Ik heb een vreemd geluid ... (horen)., gehoord, Anna en Emil hebben op de Nijl (varen)., gevaren, Het reisje is ... (cancelen) , gecanceld, Je hebt het niet eens ... (proberen)., geprobeerd, De film is op tijd ... (beginnen)., begonnen, Ik heb je mijn snoepjes ... (geven)., gegeven, We hebben de match ... (verliezen)., verloren, Anna heeft de bal ... (pakken), gepakt, Ik heb over de prijs ... (onderhandelen), onderhandeld, Papa heeft de groenten ... (snijden), gesneden, Ik heb een tekst ... (vertalen), vertaald, Columbus heeft Amerika ... (ontdekken)., ontdekt, We hebben de kerstmarkt in Brussel... (bezoeken), bezocht.

Leaderboard

Visual style

Options

Switch template

)
Continue editing: ?