1) Ik ga naar school. (vandaag) 2) Hij gaat op vakantie. (volgende week) 3) Zij doet boodschappen. (elke dag) 4) Joyce is jarig. (op 21 oktober) 5) We drinken heel veel koffie. (in de ochtend) 6) Ze zijn in Nederland. (nu) 7) We spreken over de tekst. (straks) 8) Mevrouw Hoornveld geeft les. (op donderdag) 9) We beginnen met de tekst. (nu) 10) De les begint. (om 9.15 uur) 11) Ik wil een cola. (vanavond) 12) Ik neem geen toetje. (na het eten) 13) Zij hebben heel veel huiswerk. (op woensdag) 14) We maken een examen. (volgende week) 15) Het regent veel. (in de herfst) 16) Zij zwemmen in de zee. (in de zomer) 17) Je bent aan de beurt. (straks)

Leaderboard

Visual style

Options

Switch template

Continue editing: ?