terwijl, Ik kan twee dingen tegelijk. Ik kan koken, ....ik telefoneer., zodat, Hij doet een cursus Spaans, .... hij in Spanje met mensen kan praten., hoewel, ..... het vandaag regent, kom ik op de fiets., zodra, .... ik 18 jaar ben, koop ik een auto., toen, .... ik een kind was, speelde ik vaak buiten., voordat, Ik poets mijn tanden, .... ik naar bed ga..

Leaderboard

Visual style

Options

Switch template

)
Continue editing: ?