Aan het begin van de werkdag. Groet je collega en vraag wat hij vandaag gaat doen. , In de pauze. Praat met je collega. Vraag naar zijn vrije tijd. , Je bent iets kwijt op je werk. Praat met je collega., Bij de dokter. Je hebt pijn. Praat over je klachten., Aan de telefoon. Je bent te laat op je werk. Bel je collega. , In de kledingwinkel. Je wilt een product ruilen. Praat met de medewerker., Je heb een nieuwe collega. Maak kennis met elkaar., Je hebt een nieuw huis. Praat met je collega over het huis., Het is bijna vakantie. Wat ga je doen? Praat met je collega over de vakantie. .

Leaderboard

See top players

Leaderboard

Visual style

Options

Switch template

Leaderboard

See top players
)
Continue editing: ?