Ik sta om acht uur op., Hij gaat iedere dag naar zijn werk., Jij doet in het weekend de boodschappen., De bus vertrekt op zaterdag om vier uur 's middags., We gaan 's avonds naar een restaurant., Jij komt iedere dag te laat., Ze moeten morgen de kinderen naar school brengen., Jullie willen op zaterdag niet uitslapen., Ze gaan iedere vakantie naar Frankrijk., Je moet iedere dag met de hond gaan wandelen..

Leaderboard

Visual style

Options

Switch template

Continue editing: ?