Nous ____ ____ le dejeuner. (manger) Wij hebben geluncht. J '____ bien ____ mon test de français. (préparer) Ik heb mijn proefwerk Frans goed voorbereid. Il ____ ____ un monstre. (dessiner) Hij heeft een monster getekend. Elle ____ ____ un T-shirt rouge. (porter) Zij heeft een rood T-shirt gedragen. Nous ____ ____ dans la mer. (nager) Wij hebben in de zee gezwommen. Vous ____ ____ le papier. (couper) Jullie hebben in het papier geknipt. Ils ____ ____ dans la classe de musique. (chanter) Zij hebben in/tijdens de muziekles gezongen. Elles ____ ____ de la musique rock. (écouter) Zij hebben rockmuziek geluisterd. L'élève ____ ____ la classe de mathematiques. (aimer) De leerling heeft de wiskundeles leuk gevonden. Les filles ____ ____ un jeu de volleyball. (jouer) De meisjes hebben een potje volleybal gespeeld. Qui ____ ____ le tresor? (trouver) Wie heeft de schat gevonden? Mon grand-père ____ ____ un chien. (acheter) Mijn opa heeft een hond gekocht. J' ____ ____ les informations à la télévision. (regarder) Ik heb het nieuws op de TV gezien. Tu ____ ____ l'autobus. (rater) Jij hebt de bus gemist. Vous ____ ____ desquestions dans la classe. (poser) Jullie hebben vragen gesteld in de les.

LS2U1 Passe compose avec AVOIR

Leaderboard

Visual style

Options

Switch template

Continue editing: ?